|
Bepalingen heffingen en winstbelasting |
Paragraaf 7
Bepalingen betreffende de heffing van invoerrechten, uitvoerrechten, accijnzen,
omzetbelasting, bijzondere heffingen en winstbelasting
Artikel 9
- Geen invoerrecht en belasting ingevolge de Landsverordening omzetbelasting 1999 zijn verschuldigd in geval van:
a. inslag van goederen die bestemd zijn voor een economische zone;
b. uitslag uit een economische zone van goederen bestemd voor een entrepot of een andere economische zone, onder de voorwaarden vermeld in het landsbesluit, bedoeld in artikel 6.
- Geen accijns is verschuldigd in geval van inslag van aan accijns onderworpen goederen die bestemd zijn voor een economische zone, met inachtneming van de door de Directeur der Belastingen vast te stellen voorschriften.
- Geen heffing als bedoeld in artikel 5, onderdeel b, van de Landsverordening In- en Uitvoer (P.B. 1968, no. 42) is verschuldigd in geval van inslag van goederen die bestemd zijn voor een economische zone.
- Het tweede en derde lid zijn van toepassing in geval van uitslag van goederen uit een economische zone, onverminderd het bepaalde in artikel 146, tweede lid, van de Algemene Verordening I.U. en D. 1908 (P.B. 1949, no. 62).
Artikel 10
- Het opslaan in een economische zone van niet rechtstreeks uit het buitenland, uit een entrepot, uit het vrije verkeer van de Nederlandse Antillen of uit een andere economische zone afkomstige goederen, wordt beschouwd als uitvoer in de zin van de Algemene Verordening I.U. en D. 1908 (P.B. 1949, no. 62).
- Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen ter vergemakkelijking van het gebruik van een economische zone, afwijkingen van de volgens de wettelijke regelingen betreffende de in-, uit- en doorvoer en de accijnzen geldende voorschriften van formele aard worden toegestaan.
- Behoudens het in artikel 9 en het in het eerste en tweede lid bepaalde, blijven de wettelijke regelingen betreffende de in-, uit- en doorvoer en de accijnzen van toepassing.
Artikel 11
- Over de winst van:
a. een met toepassing van artikel 3 tot een economische zone toegelaten rechtspersoon;
b. een instantie als bedoeld in artikel 5, tweede lid;
c. een rechtspersoon die ingevolge artikel 8 een vergunning van het bestuurscollege dan wel de instantie, bedoeld in artikel 5, tweede lid, heeft verkregen, voor zover deze winst is behaald met de ontwikkeling van infrastructurele voorzieningen in de economische zone, de exploitatie en vervreemding daarvan inbegrepen; wordt tot 1 januari 2026, in afwijking van artikel 15, eerste lid, van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 (P.B. 1965, no. 58), winstbelasting geheven naar een tarief dat, met inbegrip van opcenten, twee procent over de gerealiseerde winst bedraagt.
- Het in het eerste lid genoemde tarief is niet van toepassing op de winst van een rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, voor zover die winst is verkregen uit levering van goederen aan het binnenland in de zin van artikel 7, tweede lid, of uit dienstverlening aan het binnenland in de zin van artikel 7, zesde lid, dan wel uit dienstverlening door die rechtspersoon aan een in het binnenland gevestigde onderneming waarmee zij in welke vorm ook is gelieerd.
|